Hoe lokale gemeenschappen kunnen bijdragen aan het welzijn van inwoners
Hoe werk je vanuit de buurt aan welzijn? En hoe werk je daarin samen met bewoners, lokale partners, wijkprofessionals, opbouwwerkers, welzijnscoaches en gemeenten? Die vraag stond centraal bij het actieonderzoek dat onderdeel vormde van SamenwelZijn en is uitgevoerd in twee buurten in Ede en Amsterdam (Geuzenveld-Slotermeer). Lieselot Vandenbussche en Koen Bartels, beiden bij het project betrokken, lichten de resultaten toe.
Oorspronkelijk startte het project met een samenwerking rondom Welzijn op Recept. Dit is de interventie waarbij huisartsen mensen met psychosociale klachten doorverwijzen naar een welzijnscoach die iemand helpt opnieuw aansluiting te vinden bij activiteiten en sociale netwerken in de wijk. Al snel werd onze blik echter breder, zegt Lieselot Vandenbussche, onderzoeker bij het Athena Instituut. Los van de oorspronkelijke missie hoe je een meer buurtgedreven aanpak van Welzijn op Recept kunt bevorderen en inbedden, werd de onderzoeksvraag: wat speelt eigenlijk allemaal een rol voor ons welzijn, en welke rol speelt de buurt daarin? En hoe werk je daarin samen met bewoners, lokale partners, wijkprofessionals, opbouwwerkers, welzijnscoaches en gemeenten?
Over SamenwelZijn
In SamenwelZijn is onderzocht hoe lokale gemeenschappen kunnen bijdragen aan het welzijn van inwoners. Het project – onderdeel van het bredere ZonMw-programma Preventie in Transitie – brengt bewoners, bewonersinitiatieven, zorg- en welzijnsprofessionals, sociaal werkers en gemeenten samen. Doel: verkennen wat een zorgzame en betrokken buurt nodig heeft. Daarbij staat de verbinding tussen zorg, welzijn en de buurt centraal. Zo wil SamenwelZijn bijdragen aan een meer sociale en preventieve benadering van welzijn.
Het project is verbonden aan het SPARC-netwerk dat Koen Bartels, onderzoeker bij University of Birmingham, leidt. De afkorting SPARC staat voor Social Prescribing, Assets and Relations in Communities. Dat is een netwerk voor professionals en academici die zich bezighouden met social prescribing*. Het netwerk is voornamelijk actief in Groot-Brittannië, maar is internationaal georiënteerd. Het doel is het bevorderen van een buurtgedreven aanpak van welzijn en het verminderen van gezondheidsverschillen.
In SamenwelZijn – mogelijk gemaakt door een subsidie van ZonMw – bundelden verschillende partijen hun krachten: het Athena Instituut (verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam), Welzijn op Recept, LSA Bewoners, University of Birmingham, Universiteit van Amsterdam en IHS/Erasmus Universiteit.
*Social prescribing houdt in dat een huisarts of andere zorg- of hulpverlener iemand niet-medische activiteiten “voorschrijft” om zich beter te voelen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een wandelgroep, een creatieve workshop, vrijwilligerswerk of een praatgroep. Het is dus een sociaal recept in plaats van een recept voor medicijnen. De interventie Welzijn op Recept is er een voorbeeld van.
Van individu naar buurt
In beide wijken – Geuzenveld-Slotermeer in Amsterdam en Bospoort in Ede – brachten deelnemers eerst in kaart welke krachten al aanwezig waren. Via zogenoemde krachtenkaarten, gezamenlijke visievorming en werksessies onderzochten zij wat welzijn beïnvloedt, hoe bestaande initiatieven elkaar kunnen versterken en waarom samenwerking soms stroef verloopt. Dat laatste gebeurt bijvoorbeeld omdat verschillende partijen vanuit verschillende logica’s naar hetzelfde vraagstuk kijken. Bewoners, welzijnscoaches, opbouwwerkers en gemeenten hebben vaak hetzelfde doel, maar andere verantwoordelijkheden en werkwijzen. De een richt zich meer op het individuele welzijn van de cliënt, de ander meer op collectieve ondersteuning vanuit een breder perspectief.
Toch zijn de grenzen tussen individuele en collectieve ondersteuning in de praktijk minder scherp dan vaak wordt gedacht, constateren Vandenbussche en mede-onderzoeker Koen Bartels, van de University of Birmingham (zie kader). Vandenbussche: ‘Een welzijnscoach wil een individuele persoon helpen maar heeft ook een open blik naar de buurt. Wat is er aanwezig? Welke rol speel ik zelf in de buurt? Omgekeerd komt een opbouwwerker natuurlijk ook mensen tegen van wie hij of zij denkt: die heeft eigenlijk misschien wel wat gerichtere hulp nodig. En die gaat ook lijntjes uit gooien naar personen die van betekenis kunnen zijn voor zo’n iemand.’
Het belang van onzichtbaar werk
De actieonderzoekers stellen dat de opbrengst van preventie en welzijnswerk zich moeilijk vastleggen in formele systemen. Bartels: ‘Actieve bewoners, opbouwwerkers en welzijnswerkers zijn voortdurend mensen aan elkaar aan het verbinden.’ Een paar voorbeelden: de opbouwwerker die wekelijks met een koffiekar in de wijk staat, of een actieve bewoner die nieuwkomers welkom heet in het buurthuis. ‘Dat soort verbindend werk doen ze van nature’, stelt Bartels. ‘Het werkt en mensen hebben er behoefte aan. Maar het staat niet altijd in een functieomschrijving en wordt ook niet actief erkend of gefinancierd.’
Volgens Vandenbussche wringt daar de schoen. Financierings- en verantwoordingssystemen zijn veelal gericht op meetbare resultaten. En soms wordt door beleidsmakers een nieuwe term geïntroduceerd, zoals samenredzaamheid die leidend moet zijn voor opbouwwerk en welzijnswerk in buurten. Ze vindt – afgaand op de bevindingen – dat de praktijk zich disproportioneel moet voegen naar de papieren werkelijkheid van de beleidswereld. ‘De voorwaarden voor ons welzijn worden vaak gecreëerd door de mensen die in de buurt aan de slag zijn’, zegt ze. ‘Tegelijk voelen zij zich verdrukt door verantwoordingsmechanismen. Hun werk is relationeel, iemand welkom heten, een verbinding leggen. Maar de impact daarvan zie je vaak pas veel later, die kun je niet meteen tonen.’
Omarm tempoverschillen
Mensen helpen zo zelfstandig, gezond en betekenisvol mogelijk mee te doen in de samenleving, heeft tijd nodig, stellen Vandenbussche en Bartels. Net als het opbouwen van relaties en vertrouwen. Dat constante weefproces wordt bovendien nog onvoldoende erkend als iets wat ondersteuning verdient, benadrukken ze. Volgens de onderzoekers is het probleem daarbij niet zozeer onwil van betrokkenen, maar systemen die vragen om categorisering. Een initiatief voor een speelveldje moet bijvoorbeeld passen binnen een specifiek beleidsdoel of budgetlabel voordat er middelen beschikbaar komen. De werkelijkheid moet zich vaak voegen naar het beleid, constateren ze. Terwijl bewoners juist nog aan het ontdekken zijn wat ze eigenlijk willen met zo’n plek.
Dat leidt regelmatig tot tempoverschillen. Bewoners hebben tijd nodig om elkaar te vinden, ideeën te ontwikkelen en eigenaarschap op te bouwen. Organisaties en overheden willen vaak sneller resultaten zien. En soms is het juist andersom: bewoners willen van alles met een nieuw initiatief en lopen vast in overheidssystemen. ‘Het belangrijkste is het omarmen van tempoverschillen’, zegt Vandenbussche daarom. ‘Bewoners, professionals en beleidsmakers bewegen niet allemaal even snel. Juist daarom moet er ruimte zijn voor gezamenlijk leren.’
‘We werken al samen!’
De onderzoekers ontdekten nog een tweede spanning. Veel beleid benadrukt het belang van samenwerking. ‘Wij kregen vaak terug van professionals en actieve bewoners in de wijk: “wij werken al samen!”’, zegt Vandenbussche. ‘Ze gaven aan: “We moeten weer naar een platform of overleg. Dat houdt ons soms juist af van het werk dat voor ons belangrijk is, namelijk in de buurt zijn”.’ Volgens Vandenbussche gaat effectieve samenwerking minder over nieuwe overlegstructuren en meer over het vermogen om elkaar op het juiste moment te vinden. ‘Het is geen instrumenteel samenwerken omdat beleid dat vraagt. Het gaat erom dat je elkaar weet te vinden wanneer dat nodig is, en vervolgens van elkaar kunt leren.’
Publicaties
Het project leidde tot verschillende opbrengsten. De publicaties zijn hieronder te downloaden. Wat onderscheidt de publicaties van elkaar en voor wie zijn ze?
Een verhalen- en reflectieboek in stripvorm: erkenning en herkenning
Het stripverhaal maakt zichtbaar wat vaak verborgen blijft: het dagelijkse verbindende werk in buurten. ‘We wilden voelbaar maken wat dit werk eigenlijk betekent’, zegt Vandenbussche. ‘Het is een eerbetoon aan mensen die steeds opnieuw terugkeren naar de wijk en relaties opbouwen.’ Het stripverhaal is in de eerste plaats bedoeld voor actieve bewoners, opbouwwerkers en wijkprofessionals. En om van te leren, ook tijdens trainingen en opleidingen. Tegelijk kan het dienen als gesprekstarter bij bestuurders en beleidsmakers. ‘Ik hoop dat iemand het bij wijze van spreken op het bureau van een wethouder legt en zegt: “kijk, dit is wat ik doe”.’
De krachtenbundel: een praktisch werkboek
De krachtenbundel richt zich op actieve bewoners, wijkprofessionals, onderzoekers en gemeenteambtenaren die buurtgericht willen werken aan welzijn. Volgens Bartels biedt het werkboek concrete methoden om gezamenlijke leer- en veranderprocessen te organiseren. ‘We hebben gemerkt dat gezamenlijk leren essentieel is. Daarom laat de krachtenbundel zien wat daarbij komt kijken en welke werkvormen je kunt gebruiken.’
De policy brief: voor beleidsmakers
De policy brief richt zich expliciet op beleidsmakers en bestuurders. De boodschap is helder: erken het belang van relationeel en verbindend werk, houd rekening met verschillende tempo’s en sluit beter aan bij wat er al in buurten gebeurt. En vertaal dat alles in beleid, processen en financiering.
Een inspiratiebrochure voor welzijnscoaches
De brochure is er voor welzijnscoaches die werken aan individueel welbevinden in buurten, of dat nu vanuit de interventie Welzijn op Recept is of vanuit een andere invalshoek. De brochure deelt inzichten over een buurtgedreven insteek in werken aan welbevinden, en geeft ook handvatten om als welzijnscoach met actieve bewoners en andere wijkprofessionals in gesprek te gaan over buurtgedreven samenwerken aan welbevinden.
Misschien is wel de belangrijkste boodschap van het SamenwelZijn, zegt Vandenbussche tot slot. ‘Kijk beter naar de samenwerking die al bestaat. Er zit veel meer kracht in wat er al gebeurt dan we vaak denken. Het gaat erom die kracht zichtbaar te maken en ervan te leren.’
‘Een cadeautje’
Jet Habermehl werkt als opbouwwerker bij de welzijnsorganisatie Malkander in Ede. Ze was betrokken bij het SamenwelZijn actieonderzoek in de wijk Bospoort. ‘Een cadeautje’, noemt ze de start van het onderzoek. ‘Ik was net begonnen als opbouwwerker en had nog weinig contacten in de wijk. Ons motto is: bewoners aan het roer, vanuit de ABCD-benadering. Toen de onderzoekers bewoners en professionals uitnodigden om mee te denken over de zorgzame buurt, kon ik daarop meeliften met relatievorming en daarop voortborduren.’
‘Bijzonder’, noemt Habermehl de manier van onderzoek, het actieonderzoek waarbij de onderzoekers zo’n tweeënhalf jaar participeerden in de wijk. ‘Het was niet van: wij gaan er wel even een onderzoek doen, we gaan wat dingen ophalen en dat gooien we dan weer terug en succes ermee. ‘Het is nu wel spannend’, voegt ze eraan toe, ‘nu het project is afgerond’. De bewoners en professionals gaan nu verder met de opbrengsten, zonder dat de actieonderzoekers participeren. ‘Ik ben benieuwd wat bewoners vinden dat het heeft opgeleverd.’
Onderzoek toont groeiende betrokkenheid bewoners, maar ook duidelijke ‘groeipijn’
WijkWijzer
Herziene Onderzoeksagenda Leefbaarheid en Veiligheid 2026
WijkWijzer